Van Scutum naar Cygnus.

De Melkweg is het spectaculairst voor waarnemers in het noorden gedurende de avond aan het begin van de herfst of diep in de zomernachten hoog in de Zenith.

De Melkweg slingert van Sagittarius in het zuidwesten omhoog naar Scutum, Aquila en Vulpecula naar Cygnus bijna recht boven de waarnemer. Van Cygnus daalt ze richting de noordoostelijke horizon door Cepheus, Lacerta, Cassiopeia en Perseus.

De uiterlijke kenmerken van dit deel van de Melkweg en de distributie van de clusters en nevels bevatten aanwijzingen over haar spiraalstructuur. In het Sagittarius & Scorpius artikel zijn Sagittarius en Scorpius onderzocht die dicht tegen het centrum van het Melkweg sterrenstelsel aanliggen.

Scutum-Cygnus

Van Cygnus naar Scutum. Image data © Serge Brunier

In deze richting kijken we voorbij de sterren van het 70° lange Scorpius-Centaurus gebied die de binnenste grens van onze eigen Orion-Cygnus spiraalarm markeert. We kijken ook door een gebied arm aan interstellaire materie (weinig tot geen gas, stof en sterrenclusters).

De Scutum Sterrenwolk.

In eerdere delen van de Melkweg gids hebben we regio’s dicht en rond de Melkweg kern onderzocht, nu we onze blik omhoog richten (noordoostelijk) kijken we meer naar regio’s aan de buitenkant van de Melkweg. Het laatste diepliggende object dat we bekijken is de indrukwekkende heldere Scutum Sterrenwolk.

M 11 en M 26 lijken zich in de Scutum Sterrenwolk te bevinden met afstanden van respectievelijk 6000 en 5000 lichtjaren. Ze zijn echter te oud om onderdeel van de spiraalarm te zijn. In werkelijkheid drijven ze weg van hun geboorteplaats in de spiraalarm naarmate ze ouder worden.

Milkyway_south_24mmf5_6_6D_L_20160725_10x120sec_iso1600_24D30F174B_DBE_ABE-etc-1

De Scutum Sterrenwolk en M 11 & M 26. © Kees Scherer

 M 11: Deze spectaculaire open sterrenhoop (in het Engels Wild Duck, Wilde Eend, genoemd) is duidelijk zichtbaar door een verrekijker, de moeite waard door een kleine telescoop en verbijsterend door een 200mm. Het is een van de compactste open sterrenhopen en een heldere ster op de voorgrond verhoogt de schoonheid ervan nog.

 M 26: Deze open sterrenhoop is zwakker dan M 11 en het beste te zien in kleine telescopen.

In de Scutum Sterrenwolk lijken we in de lengterichting te kijken van een van de spiraalarmen terwijl deze naar binnen afbuigt rondom het centrum van de Melkweg. In de sterrenwolk zijn sterren te zien die voor elkaar liggen met een variëteit aan afstanden. Dit gebied bevindt zich of in Sagittarius-Carina arm (de eerstvolgende arm die binnenwaarts is gericht vanaf onze positie gezien), de Norma arm of mogelijkerwijs een intersectie tussen de 2 armen.

Het Grote Rift

Als we onze blik verder richting het noordoosten bewegen vanaf de Scutum Sterrenwolk en verder van het centrum van de Melkweg zien we steeds meer eigenschappen van en objecten in onze eigen spiraalarm.

Het Grote Rift

Het Grote Rift. © Kees Scherer

De Melkweg van Sagittarius tot Cygnus is alles behalve een zwakke band zonder echte kenmerken. De gebied is verdeeld door een lange donkere rift, met verschillende donkere gebieden en geflankeerd door een dozijn aan sterrenwolken van verschillende groottes en helderheid.

Voor het ongeoefende oog is het meest opvallende kenmerk het Grote Rift welke de Melkweg zuidwestelijk van Deneb verdeeld in 2 min of meer parallelle stromen.

De westelijk en zwakste stroom van de Melkweg dooft in het noorden van Ophiuchus verdrongen door grote stofwolken die een groot deel van het oostelijke gebied in het sterrenbeeld bedekken. De Melkweg verschijnt weer zo’n 20 graden verder in de regio van Eta (η) Ophiuchi.

Het Grote Rift strekt zich voorbij Sagittarius diep in de zuidelijke Melkweg om te eindigen in Alpha (α) Centauri.

Opnames met een breed beeldveld (FoV) van de Melkweg van Cygnus tot Centaurus lijken veel op foto’s van spiraalvormige “edge-on” galaxieen zoals NGC 891 in Andromeda en NGC 4565 in Coma Berenices. Dit komt omdat het Grote Rift van de Melkweg en de donkere lanen van spiraalvormige “edge-on” galaxieën eigenlijk uit hetzelfde bestaan, wolken van interstellair stof die sterlicht vanuit het binnenste van het sterrenstelsel absorberen.

Afbeelding bewaard met toegepaste instellingen.

NGC 4565, een voorbeeld van een “edge-on” galaxie. © Frank Teunissen

De werkelijk pracht van de Grote Rift kan het beste ervaren worden door met de verrekijker tussen de 2 stromingen van de Melkweg waar te nemen. Concentreren op de gebieden in het Grote Rift laten prachtige schittererende sterren zien rondom Albireo en aan de voet van het Cygnus richting het topje van Sagitta en vanuit de heldere Melkweg gloei dicht bij Altair en gamma (γ) Aquilae richting het sterrenpaar Epsilon (ε) en Zeta (ζ) Aquilae.

De donkere lanen die we op foto’s van “edge-on” spiraal sterrenstelsels zien zoals NGC 891 en 4565 zijn samengesteld uit alle stof in de verschillende lanen van zulke systemen. Het Grote Rift is echter één band van stofwolken.

Het rift nadert ons het dichts in het verre zuiden van Ophiuchus waar de stofwolken van het Rho (ρ) Ophiuchi complex (kraamkamer van sterren) noordelijk van Antares op minder dan 700 lichtjaren afstand staan.

De Aquila Rift stofwolken westelijk van Gamma Aquilae zijn ongeveer 1000 lichtjaren verwijderd. Terwijl de stofwolken aan het noordoostelijke einde van het Grote Rift zich op 2200 lichtjaren van ons bevinden.

Het Rho (ρ) Ophiuchi complex bevindt zich tussen ons en het centrum van de Melkweg terwijl Deneb zich boven ons bevindt. We moeten het Grote Rift dus zien als een ketting of band van stofwolken beginnende boven in Cygnus die zich uitstrekt tot achter ons in Centaurus waarmee het rift zich tussen ons en het centrum van de Melkweg bevindt.

Foto’s van andere spiraalstelsels tonen aan dat stoflanen vaker de begrenzing van spiraalarmen aangeven. Het Grote Rift markeert de binnengrens van onze eigen spiraal arm, de Orion-Cygnus arm.

Copyright © 2016 starry-night.nl