Orion

ORIIn de meridiaan 10 p.m. (GMT) 1 januari. Zichtbaar van november t/m maart.

Orion is een pronkstuk, met Rigel, Betelgeuse en zijn drie gordelsterren in één rij die de hemel van december tot april verlichten.

Orion is al duizenden jaren lang bekend als een afzonderlijke groep sterren. De Chaldeeën noemden hem Tammoez, naar de maand waarin de vertrouwde sterrengordel voor dageraad opkwam. De Syriërs kenden hem als Al Jabbar, de Reus, en voor de oude Egyptenaren was hij Sahoe, de ziel van Osiris.

In de Griekse mythologie was Orion een reus en een groot jager. In een verhaal werd Artemis, godin van de Maan en van de jacht, verliefd op hem en verwaarloosde haar taak om de nachtelijke hemel te verlichten. Haar tweelingbroer Apollo, die Orion ver in zee zag zwemmen, daagde zijn zuster uit dat punt in het water te raken. Niet beseffend dat het Orion was schoot Artemis een pijl af en doodde hem. Toen Orions lijk later aanspoelde, zag ze wat wat ze had gedaan. Ontroostbaar plaatste zij zijn lichaam, samen met zijn jachthonden, aan de hemel. Haar verdriet verklaart waarom de Maan zo droevig en koud lijkt.

De sterren van Orion zijn zo geschikt dat je makkelijk de figuur van een jager herkent, compleet met een leeuwenhuid in zijn rechterhand en een geheven knots in zijn linker.
ORI

 Betelgeuse of Alpha (α) Orionis: Betelgeuse is beroemd. De naam is Arabisch voor “huis der tweelingen”, blijkbaar vanwege het sterrenbeeld Gemini ernaast. De veranderlijke welke op een afstand van 430 lichtjaren staat varieert in magnitude 0 to 1,2 in de loop van bijna 7 jaar. De semi-regelmatige aard van de variatie betekent echter dat het mogelijk is veranderingen te zien in de loop van een paar weken. 

 Rigel of Beta (β) Orionis: De naam Rigel is afgeleid van het Arabische woord voor “voet”. Deze machtige superreus, op een afstand van ca. 1400 lichtjaren, is meer dan 50000 keer zo helder als de zon.

 Mintaka of Delta (δ) Orionis: De ster aan noordelijke einde van de gordel. Deze ster heeft een m7 compagnon zichtbaar in kleine telescoop of verrekijker.

 Alnitak of Zeta (δ) Orionis: De meest zuidelijke gordelster. Telescopen van minimaal 75mm laten een begeleidende ster zien.

 Iota (ι) Orionis: Een dubbelster met een m3 en m7 ster, aan de punt van Orions zwaard zichtbaar met kleine telescopen. Een bredere dubbel van m5 en m6 is Struve 747 genoemd.

 Sigma (σ) Orionis: Een indrukwekkende dubbelster, kleine telescopen laten de m4 hoofdster en twee kleine m7 sterren aan een kant en een dichtbij staande m9 ster aan de andere kant zien.

 Grote Nevel (M 42): Deze sterrenwieg, een van de wonderen van de nachtelijke hemel, is ook bekend als Orionnevel. Hij is bij een donkere hemel duidelijk zichtbaar met het blote oog en in de stad door een verrekijker. De wervelingen van de nevel spreiden zich uit vanuit de kern met vier sterren, Trapezium of Theta-1 (θ) Orionis, genoemd, die de nevel energie leveren. Foto’s overbelichten gewoonlijk het binnenste gebied van de nevel en verduisteren de Trapeziumsterren. In 1880 was Henry Draper, die M 42 als zijn onderwerp gebruikte, de eerste die met succes een nevel fotografeerde.

 M 43: Deze kleine nevel ligt ten noorden van de hoofdmassa van de Grote Nevel. In feite is het M 42-complex gewoon het lichtste deel van een gaswolk die de constellatie Orion bedekt op een afstand van een 1500 lichtjaren.

 Paardekopnevel (IC 434) of Barnard 33: Deze donker nevel is geprojecteerd tegen een achtergrond van een emissienevel, naast de heldere gordelster Zeta (ζ) Orionis. Soms is hij mogelijk te zien; hij vergt gewoonlijk een donkere hemel en minstens een 200mm-telescoop.

 NGC 1977: Een uitgestrekt gebiedje van nevel rondom de sterren 42 en 45 Orionis.

 NGC 1981: Een groot en verspreid cluster van sterren zuidelijk van Mintaka, de helderste sterren hebben een magnitude 6.

 NGC 2169: Dit is een kleine, heldere open sterrenhoop van ca. 30 sterren.